Ontaarde ouders

Het was vrijdag. De week had weer vol gezeten met bruisende activiteit. Het was tijd voor bank, buis en patat van Daan. Ik draaide de Volvo het erf op en zag dat jongste, die vrij had, de konijntjes al buiten had gelaten. Fijn voor ze, want doordeweeks komen we altijd laat thuis en hoewel de beestjes een zeer riante binnenruimte hebben, inclusief twee nachthokken, vinden we het toch zielig als ze overdag maar een uurtje of twee uitgebreid in de modder kunnen rondhupsen. Ik zag overigens dat de waterflessen bijna leeg waren, maar dat regelde ik later wel.

Vlak nadat ik thuis kwam, reed de man zijn blubbertruck de oprit op. We zeiden hallo, we deden wat slijmerige echtgenoten doen als ze elkaar tien uur niet gezien hebben, en besloten patat te halen. We liepen richting de hoofdstraat en vroegen ons af of het druk zou worden, vandaag. We hadden nog geen lampionnetjes gezien en de bak met mini-reepjes was erg vol. Bij Daan zongen dan wel weer groepjes dik ingepakte kleuters over koeien met staarten en meisjes met rokjes. Dat kwam vast wel goed. Oh ja, en we moesten de konijntjes niet vergeten, straks.

En ik deed mijn bestelling en zag hem en haar van de schaapskudde in een dorpje verderop. Net toen we goed op gang waren met een analyse over de zaak Trump versus Clinton en Wilders, was hun bestelling klaar en niet veel later de onze. Huiswaarts. De kachel aan. Mayonaise. Curry. Het heerlijke genot van de vrijdagavond. Na een paar minuten kauwen dachten we niet eens meer aan de Verenigde Staten. En ook niet meer aan koeien met staarten. Want niemand kwam zingen over Sint Maarten. En niemand deed de deur die avond meer open.

Het was koud, vanmorgen. De rijp lag over de uitgebloeide hortensia’s en de oranje lampionnetjes naast de taxus. Ik zette koffie. Ik roosterde brood in oma Todors broodmachien (nog steeds niet kapot). Ik las Ons Eig’n Kraantien. En na twaalven vonden we het tijd om een boodschap te doen. ‘Doen we meteen de konijntjes buiten.’ Euh…dacht ik. ‘Ze zitten al buiten!’ riep ik tegen de man. Ik zocht naar een kapot slot, een paneel uit de binnenren dat stuk was gegaan. Een ander defect. Maar er was niks kapot. Het deurtje dat we zelf altijd keurig voor ze openzetten, stond keurig open. Willem zat stilletjes midden op een restje gras.

‘Euh…’ deed de man. Want nee. We hadden dat deurtje niet dichtgegaan, gisteren. Nee. We hadden ook geen brokjes gebracht. En ja, het hooi was inmiddels ook al op. En het restje water was bevroren. Daar stonden we dan, lichtelijk gebogen, de handen voor de mond. Dan rennend met brokjes. Vers hooi. En nog wat. En water. En veel lieve woordjes. Heel veel lieve woordjes. En het is maar goed dat konijntjes niet haatdragend zijn. Ik had mij toch eens goed in de vingers gebeten.

Het is al snel weer vergeven en vergeten bij Stof en Willem

Het is al snel weer vergeven en vergeten bij Stof en Willem

Leave a Reply

Your email address will not be published.