Overmeesterd

Er zijn mensen die vinden dat ze maar bar weinig van mij horen. Die mensen hebben gelijk; ik gedraag me sinds september niet echt sociaal. Nou, oké, als je toevallig studeert aan Windesheim of werkt op de school diep in Drenthe, dan hoor je ineens weer veel te vaak van me. Ik heb feedback nodig, er moet iemand nodig iets voor me invullen, ik moet overleggen of zonodig weer een vergadering filmen om mijn interpersoonlijke competenties te bewijzen. Tsja. De balans is, kortom, ver te zoeken.

En nee, het gaat zeker niet van een leien dakje, allemaal. De studie vereist een flexibiliteit waarvoor ik, wisselvallig type, zelfs nog een beetje moet trainen. Het geheel vraagt een precisie die ik niet eens bij het sokken breien inzet (en de breiers onder ons weten dat dat op zich best handig is), en het niveau is ook niet echt Jip en Janneke. De eerste module heb ik inmiddels herkanst (even afwachten of dat wèl voldoende is) en de tweede module is met trillende vingers ingeleverd bij de moduledocent. Fingers crossed enzo.

Wat zegt u, u vindt dit eigenlijk wel een beetje een zeurverhaal? Dat was u van mij niet gewend? Hm. Nu u het zegt. Het klinkt wel wat zorgelijk. Het klinkt alsof ik overmeesterd ben door iets wat ik nou weer zo nodig moest: opnieuw studeren. Maar heel eerlijk: ik vind het leuker dan ik ooit verwacht had. Ja. Ik vind het ook ontzettend pittig. Ik vind het ook ontzettend veel. Als ik het ene boek nog niet uit heb, ligt het volgende alweer ongeduldig te wachten tot ik het oppak. Hier moet iets uitgezocht, en daar iets op een rijtje gezet. En nee, ik snap heel veel nog steeds niet.

Maar. Het schijnt dat ik ècht aan het leren ben, juist omdat ik voortdurend rondloop met een hoofd waar de vraagtekens omheen zweven (om niet te spreken van wat er ín dat hoofd zweeft). Iedere dag voel ik me wel één keertje ‘lampje’. (Weet u nog? Van Willie Wortel.) Dan is er een ‘aha-momentje’ en bedenk ik dat het in de les weer wel anders kan. Beter, natuurlijk. Al valt dat altijd nog te bezien. Voor de leerlingen betekent het in ieder geval wekelijk wel iets nieuws.

En ja. Om dat studiekoze gedoe allemaal te compenseren, neem ik de man toch af en toe op sleeptouw. Binnenkort maar eens met de trein naar een ver en donker land. En nee. Dat is ook alweer niet sociaal. Behalve dan voor de man.  Als het meezit, word ik me over een jaar of twee wel weer van de omgeving bewust. En van de tuin, misschien. En de verbouwingen. En het onderhoud aan diverse apparaten. Het is maar goed dat ik in ieder geval een degelijke auto rijd.

Tussen de oren

Vorige week zaten leerling M. en leerling L. voor in de klas en ze luisterden naar een lied. We doen iets met poëzie in klas 3 en op de een of andere manier krijgen we de begrippen ‘rijm’, ‘beeldspraak’ en ‘stijlfiguren’ er gemakkelijker in met een lied van Blof (denk dat streepje er even bij) dan met de werken van Joost van den Vondel.

M. en L. zaten dicht tegen elkaar aan gekleefd, met gedeelde ‘oortjes’. Ik vond dat ik het lied er toch best nog doorheen hoorde blèren en vond het tijd voor een ‘anti-tinnitus-preek’, want er is veel wat ik mijn medemens gun, maar daar schaar ik tinnitus niet onder. Ik heb het zelf en ik vind het niet bijster aangenaam. ‘Maar u heeft dat toch niet door muziek gekregen?’ vroeg L. en ik antwoordde dat dat inderdaad niet zo was, al waren de concerten van Rammstein en Faithless ook weer niet bevorderlijk voor een goed gehoor, om het maar niet over het plaatselijke Sweelpop en Folk veur Volk te hebben, want daar kun je met een beetje pech ook wel een eeuwige piep in de oren oplopen. Maar goed. Nee. Mijn eigen ruis heb ik te danken aan het werk op de trein.

‘Is dat niet ontzettend irritant?’ vroeg M. en ik knikte. ‘U hoort dus ALTIJD iets.’ Ik knikte weer. ’24 uur per dag dolle pret, jongens, dus alsjeblieft, zet die muziek niet zo hard als je oortjes in hebt, en haal van die speciale pluggen als je naar een festival gaat.’ Twee paar glazige ogen keken me aan en er klonk iets van ‘uhuh’. Ik zuchtte en wilde al doorlopen naar het volgende stel dat driftig met de poëzie in de weer was.

‘Maar mevrouw,’ begon M. weer. Ik draaide me weer naar hem toe. ‘Niet om het een of ander, en ik bedoel er niets brutaals mee. En ik wil u ook niet beledigen…maar…’ Ik keek M. afwachtend aan. Een grote denkrimpel lag op zijn voorhoofd. ‘Bent u weleens naar een psychiater geweest?’ Ik hoestte. ‘Eh. Nee.’ M. keek nu naar zijn Chromebook, alsof daar de volgende, zorgvuldig opgebouwde zin lag die duidelijk moest maken wat hij dacht. ‘Nou, u zegt iets te horen, maar niemand anders hoort het, toch?’ Ik knikte, want het is echt mijn eigen geluid. ‘Nou, misschien zit het dan gewoon tussen uw oren.’ Ik zweeg. Hij zweeg met me mee. ‘Kan toch?’ zei hij lief.

Ik kneep mijn ogen tot spleetjes en vertelde hem dat ik het een goed idee vond, die psychiater. Misschien kan die me uitleggen waarom ik ooit les wilde geven. Dat zit denk ik ook ergens tussen mijn oren.

Een verlaat kerstfeest

Nee. Ik heb geen kerstversierselen meer hangen of staan. Alle kerstkoekjes zijn ook al op. Kerstvakantie voorbij. Alleen de kerstkaarten (een uitstervend fenomeen) hangen nog op de ruit naast de tussendeur en dat zal traditiegewijs nog wel tot Pasen duren.

Nee. Het gaat om een ander feestje; een leesfeestje. Vorige week dacht ik nog aan de boekjes die ik in mijn jeugd las. Het allereerste boekje kan ik me niet meer herinneren. Het allereerste nieuwe boek dat ik van mijn zakgeld kocht dan weer wel (‘Boris’ van Jaap ter Haar), maar toen had ik inmiddels al wel een bibliotheek aan werkjes ‘uit’.

Nee. Dat eerste werkje krijg ik dan ook nooit meer terug. Ik herinner me wel hele series als ‘De Olijke Tweeling’ en ‘Snuf de Hond’ en, iets later, probleemverhalen uit de koker van uitgeverij Lemniscaat, met titels als ‘Geef het een kans’ en ‘De vier vrijheden van Hanna B.’ En ergens daarvóór en daardoorheen, hele reeksen stichtelijke werkjes van W.G. van de Hulst en de Zijnen.

Ik verslond ze, want de moeders waren er altijd zacht en vaders rechtvaardig. Niemand pestte en als dat toch gebeurde, werd de boosaard steevast stevig berispt. Als niemand meer wist hoe het moest, dan had de dominee nog wel een idee en aan het eind kwam het altijd goed. Fantasy voor kids avant la lettre, zeg maar.

Eén van de werkjes die me altijd bijbleef, was ‘Kerstfeest voor oude Johannes’. Het is een verhaal waarin een gewonde, brommende weduwnaar met geit en al vanuit zijn berghut, door diepe lagen sneeuw, op de slee, naar het dorpje in het dal vervoerd wordt om daar -toch- samen met de dorpelingen de kerstnachtdienst mee te kunnen maken. Het boekje is niet door W.G. van de Hulst geschreven, maar toch ging het met een verzameling van die schrijver, ooit mee naar een vriendin die die boekjes verzamelde.

Een poosje terug sprak ik erover op school. Dat sommige titels je zo bijblijven. Dat je daarom soms iets voor altijd bewaart. En soms per ongeluk dus niet. De vriendin had de verzameling, inclusief ‘Johannes’ weer voortgedaan en ach, zo gaan die dingen. Tot afgelopen dinsdag. Tot die ene nieuwe collega mij aansprak. ‘Ik heb iets voor jou.’ En ze stak haar hand in een tas en er kwam een boekje naar boven.

Ik heb het net herlezen. Een verlaat kerstfeest, maar dan niet alleen voor oude Johannes.

Nog zeven weken…

Afgelopen vrijdag was ik al bezig met het versturen van e-mailtjes aan collega’s en ouders van leerlingen, maar morgen is het dan ècht voorbij. Geen gelummel in pyjamabroek en ‘onder een dekentje op de bank’, geen eindeloos graaien in bakjes met kerstkransjes en chocolaatjes. De koek is op.

Zoals gewoonlijk hebben we in de vakantie totaal niet gedaan wat we allemaal van plan waren. Virussen zaten in de weg, maar ook wekkers. Die gingen niet af, en zo verloren we meteen vier uur van iedere kostbare dag. Nee. Daar hebben we niet per se onder geleden. Zelfs de poezen waren na drie uitgeslapen dagen niet meer chagrijnig als we pas om een uur of 10 naar beneden kwamen. Het konijn had er meer moeite mee, maar zijn slechte humeur was met één rozijntje meestal wel weer genezen.

Ik ben benieuwd hoe de beesten er morgenochtend bij zitten. Of ze niet ineens heel verbijsterd en met lange tanden aan hun ochtendbakje zitten. Wie verzint het immers, om 6.00 uur weer uit bed! Ik weet dat ik dat zelf ook wel even zal bedenken, ook al heb ik best zin om iedereen weer te zien. Collega’s met sterke of minder sterke verhalen, leerlingen met meer of minder enthousiasme. Eindeloze praatjes en veel kopjes koffie, meteen in de eerste week al twee keer uit eten.

Na een week zijn de poezen en ik het allemaal wel weer gewend. Zes weken routine volgen, maar dan hebben we alweer vakantie. Het zou toch eigenlijk verboden moeten worden…

Het jagen van jaren

Sommige dagen moeten dan wel slijten, maar jaren? Oef. Jaren lijken te jagen. Een cliché, ik weet het, en daar moet ik me niet te vaak van bedienen. Vooruit dan maar. Zo zal ik me ook niet bedienen van ‘het ernstig terug- en vooruitkijken’. Ook een dooddoener, tenslotte en we hebben al genoeg terugblikken gehad, de afgelopen dagen en uren.

Bovendien, zo leerde ‘Alice’ al in de film ‘Through the looking glass’:je kunt het verleden toch niet veranderen. Je kunt er alleen van leren. En ok, vroeger had ik nog weleens graag terug gewild in de tijd. Ik had zo hier wel eens mijn mond willen houden, alsnog, en zo daar had ik ‘m dan beter alsnog open gedaan. Maar gedane zaken nemen geen keer. En dat is niet erg. Zo lang je er maar van leert. Dus.

Maar. 2017. Ja. Het was bijzonder. Ik heb in dit jaar geleerd dat ik niet met mijn hoofd en handen vooruit van een bergje af moet sleeën. Een jaar na dato is gitaarspelen nog steeds schier onmogelijk, vanwege een uit zijn voegen geklapt gewricht in mijn hand. Een dansje maken met een collega, waardoor ik twee weken met een kruk moest lopen, leerde me dan weer dat je vooral váker moet dansen. Dan zijn je spieren niet zo stijf en dan loop je ook geen zweepslag op. In 2017 heb ik meestal wel mijn mond gehouden waar dat moest en open gedaan als het kon. Ik denk dat ik daarvoor voldoende ‘lesstof’ in eerdere jaren heb gehad.

In 2018 zal er ook wel weer geleerd worden. Zo staat er een tripje Kopenhagen op het programma, waarbij de man en ik voor het onconventionele vervoermiddel ‘trein’ hebben gekozen. De tickets zijn al geboekt, dus ik hoop niet dat we zullen leren dat we dat beter niet hadden kunnen doen. Naar Canada, een paar maanden later, pak ik dan toch het vliegtuig. Doel nummer één is ‘leren’, omdat ik er voor mijn studie heen ga. Hopelijk leer ik daar dan weer niet van dat ik beter een cursus pottenbakken had kunnen doen.

Ik wens voor u dat 2018 minstens zo’n bijzonder jaar zal zijn als 2017 voor mij was. Op die vinger en dat been na, dan. Dat hoeft u dan zelf niet te leren. Heb ik al voor u gedaan.

(Oh ja, ik leerde ook al dat je best ‘s avonds laat nog oliebollen kunt bakken. Dat dat niet heel anders is als ‘s middags. Ze gaan evengoed met een sneltreinvaart op…)

Het slijten van dagen

Ze doen het goed, voor vrienden die geen vrienden meer zijn; ze zien elkaar tot nu toe gemiddeld een keer per jaar van dichtbij. Gek genoeg is dat vrijwel altijd op de parkeerplaats van een supermarkt in een dorpje verderop.

De eerste keer daar reed ze hem bijna omver. Hij stak zijn hand op als reactie op haar getoeter. Ze maakte een gebaar van: ‘niet handig, hè’ en zo snel als zijn hand de lucht in was gegaan, zo snel ging hij omlaag, benadrukt door zijn mondhoeken die dezelfde richting kozen.

De tweede keer was op een ochtend in mei. Het was nog fris. Zij verliet de supermarkt. Hij liep net naar binnen. Ze bedacht dat ze elkaar de vorige keer net omgekeerd kruisten en dat de kleur van zijn vest (een nieuw?) hem goed stond. Zijn haren hoefden van haar niet geverfd. Ze weet niet wat hij dacht; daar vroeg ze ook niet om. Ze bromde: ‘Goedemorgen’, en hij bromde hetzelfde terug, terwijl de afstand tussen hen alweer groter werd.

De derde keer was op een winterdag tussen kerst en nieuwjaar. Geen kruisen van wegen nu; ze kwamen tegelijkertijd aan. Zij met haar karretje. Hij met zijn zus. Ze keken elkaar aan en groetten met een glimlach. Zij liep naar binnen. Hij volgde. Ze pakte een pompoen. Een zoete aardappel. Wat gember. Ze moest twee keer terug, voor koek en zure appels. Wat hij in zijn kar had? Ze heeft geen flauw idee.

Een goede generale

In september waren we al begonnen met repeteren. Een beetje kerstliedje heeft tenslotte tijd nodig. Bovendien is kerst nooit vervelend, dus genoten we er ook in september al van. Ok, er zàt één liedje bij waar we met zijn allen een beetje een punthoofd van kregen, zo lastig was het ritme. Maar toch. Ook ‘Kerstmis met joe’ van Daniël Lohues kreeg een plaatsje in ons hart. Sort of.

Het werd december. Het grote kerstconcert lag voor de deur. En we grapten al dat de generale best slecht mocht gaan, want dan… Maar toen. We zetten het eerste gezamenlijke lied in met het mannenkoor waarmee we samen zouden zingen. Het was als een tsunami van zware stemmen, waar we ineens een beetje tegenop leken te boksen.

We gingen verder met de repetitie van ons eigen repertoire. Het eerste nummer ging wat voorzichtig. Het tweede nummer liep wat raar, net als drie en vier en bij het vijfde ging koorlid B. verschrikkelijk lelijk kijken. Waar bleven de bassen bij nummer zes, en vergaten de alten niet iets bij nummer zeven? Bij acht kreeg ik geen normale noot meer uit de strot. De dirigent ging steeds dieper zuchten, en in de pauze staarde G. verstild in de verte, de blik op hopeloos en reddeloos verloren.

‘s Nachts plakte ik alle bladmuziek in een zwart mapje dat ik tijdens de uitvoering als een talisman tegen mijn lijf zou houden. Alsof die regels op papier mijn vege lijf konden redden. Ik trok de volgende avond mijn nette jurkje aan en mompelde iets van ‘God zegene de greep’ en toen moest het maar.

De dirigente haalde diep adem. Of we even onszelf wilden herpakken. We wàren geen mannenkoor en hoefden daar ook niet tegenin. We zongen gewoonlijk zo mooi, er was geen reden er zo’n rommeltje van te maken als we op de generale deden. Als we nou gewoon eens deden wat we altijd deden. Onszelf bleven, met onze eigen kracht.

En ik dacht: vooruit, en na het inzingen kwamen de eerste serieuze melodieën. Ik keek links, waar J. de stem had hervonden die ze gisteren wat kwijt was. Bij dat ene nummer, waar ik tijdens de generale in mijn eentje wat ielig had geklonken, waren we nu ‘gewoon’ met zijn drieën. B. keek lang niet lelijk meer. En de bassen en tenoren pakten de lijntjes precies waar ze moesten zijn.

De avond liep fantastisch. De man mopperde nog wel iets van dat het bij ons toch altijd hetzelfde liedje was, maar potverdorie, wat kunnen we mooi zingen. En ik liep weer op wolkjes na afloop en ik bedacht dat onze dirigente wel erg gelijk had.

We moeten ons nooit vergelijken met een ander. Als koor hoeft dat dus ook niet met een ander koor. En voor mij geldt dat onze kracht toch echt ligt in het gezamenlijke. In mijn eentje, merk ik, breng ik geen donder klaar. Samen, dan wordt het ineens een heel ander verhaal. Een heel ander liedje. Wat dan ineens best méér dan te pruimen valt.