Het stille belletje van de ijscoman

Vandaag vond de uitvaart plaats van mijn peetoom. Nu ik het zo opschrijf, vraag ik me af hoeveel officiële petekinderen er eigenlijk nog bestaan; ik hoor er bijna nooit meer iemand over en ook mijn zonen hebben geen peetouders.

Awel. Zo vaak zag ik hem niet, deze peetoom. De meeste herinneringen dateren van vóór 1988. Daarna kwam de klad er een beetje in, om duizend-en-redenen, waarvan er geen eentje echt geldig is. Maar die herinneringen uit mijn jeugd, die zijn goed. Eindeloze zomervakanties in Oost-Brabant, kermis in het dorp en Sinterklaasfeesten waarbij ieder nieuw feestje in de schaduw stond. Allemaal dáár.

Het was daarom opnieuw bijzonder om vandaag dat kleine dorp binnen te rijden, waar ik veel herkende, en veel ook niet. Ik deed het volgens de TomTom niet goed, want ik wilde geen boerenpaadje in rijden. Al sputterend leidde het apparaat me via andere wegen naar het café waar we met zijn allen nog wat zouden eten en drinken, ná de indrukwekkende dienst in weer een ander dorp van vroeger.

Er was precies één plekje nog vrij aan een tafel met neven en nichten die ik ook al niet wekelijks zie, en we raakten uitgebreid aan de praat. We hebben volwassen en iets minder volwassen kinderen, we hebben banen en andere werkzaamheden, we maken allemaal onderdeel uit van diezelfde familie, die vol verhalen zit. Verhalen waar we er steeds minder van kennen, omdat we elkaar steeds minder zien. Omdat het leven doorgaat. En het is zoals het is, en het gaat zoals het gaat.

Zoals het ging zoals het ging. Ik dacht vanmiddag na over mijn herinneringen, staand achter in die massa mensen die in mijn oom een bijzonder mens zagen, van wie ze nog lang geen afscheid hadden willen nemen. Er kwamen recentere foto’s voorbij op een scherm, maar in mijn hoofd schoof de avondvierdaagse voorbij, die ik, ‘dat is waar ook’, ook altijd liep in dat dorp. Snoepzakjes achteraf, ochja, en snoepzakjes haalde ik ook weleens bij de cafetaria in de Dorpsstraat. Spekkies en dropjes in een zakje, bedoeld voor patat.

En de ijscoman! Iets wat mijn oom ook jarenlang was. Een kar met fiets, en in het vooronder lagen massa’s rode curryflessen, gevuld met bevroren water. Daarop vanille, aardbei en pistache. Aan het Wilhelminakanaal stond het karretje lang stil en werd menig ijsje geschept. Van pistache heb ik lang niet kunnen eten, omdat ik er dáár zo misselijk van was geworden.

Het belletje van de ijscoman rinkelt niet meer. Er worden geen nieuwe herinneringen meer gemaakt. De TomTom stuurde me op de weg naar huis keer op keer het dorp weer in, over het boerenpaadje dat ik eerder niet nam. Alsof ik nu echt geen afscheid mocht nemen. De derde keer besloot ik toch echt de ringweg richting grote stad te nemen. De TomTom bleef nog kilometers zeuren dat ik om moest keren. Ik zette uiteindelijk de radio maar aan.

Een koud kunstje Kopenhagen

Een aantal maanden geleden bedacht ik dat het een goed plan zou zijn om de studiestress en overige beslommeringen een paar dagen achter me te laten en een tripje te plannen naar een aardige stad in een land hier dichtbij. Het werd Kopenhagen. En de man wilde mee.

De week voor we vertrokken, was de Russische Beer volop in het nieuws. ‘Aanstellerij’, dachten de man en ik. Bij de KNMI is het al code paars als de krokussen zachtjes wiegen in de voorjaarswind. Edoch. Van meerdere kanten kwamen berichten over gevoelstemperaturen die onder de -20 zouden duiken. Chef sprak tegen de laatste werkdag slechts nog zachtjes over ‘fijn sleeën’ in Oostenrijk en adjunct R. sprak op steeds hogere toon over -30 op de plek waar hij met de camper zou gaan kamperen.

‘Ik wil de lange onderbroek mee.’ sprak uiteindelijk de man. ‘En een extra flanellen hemd.’ Ik pakte hemdjes en hemden, mutsen en dassen, handschoenen (alleen voor mijzelf, want de man dacht het met zijn lange onderbroek wel te redden) en in de tas voor onderweg ging extra proviand mee. Voor als we onverhoopt nog ergens zouden stranden.

In de hotelkamer bij aankomst in hartje Kopenhagen was het 25 graden bóven nul. Het raam ging open, de verwarming omlaag en wij deden nog een rondje om wat bij elkaar te scharrelen voor het avondmaal. Verder dan een obscuur winkeltje met het een en ander aan vage waarschuwingen op de deur kwamen we niet. Bevroren wimpers en tenen. We kochten het laatste witbrood, een potje jam van de Gammle Fabrik en een bakje humus. Intussen was het in onze hotelkamer ‘gewoon’ lekker warm geworden. Tijd voor diner.

De volgende ochtend liepen we eerst alle trappen in het hotel op, om te genieten van het uitzicht vanaf de 12e verdieping. De ruiten bewogen wat. De stoep onder ons was akelig ver weg en leek knetterhard. De lucht daarentegen, was betoverend blauw. Met buienradar uit leek het heftig lente.

We ontbeten met rugbrød, Nutella en grote bekers koffie. Zakenmannen om ons heen maakten zich gereed voor het eerstvolgend congres of de eerstvolgende date. De man en ik droomden over frisse, lange wandelingen langs kades en door steegjes, langs bezienswaardigheden en dan ergens aan het eind van de dag een restaurantje.

We zetten twee stappen buiten. Zetten de capuchons omhoog. Trokken mutsen omlaag. Handschoenen gingen aan. Bij het eerste museum doken we naar binnen. We trokken vervolgens van expositie naar tentoonstelling, in een aardige variant op van kroegie naar kroegie. Volgende keer maar eens kiek’n hoe Kopenhagen van buiten is.

Overmeesterd

Er zijn mensen die vinden dat ze maar bar weinig van mij horen. Die mensen hebben gelijk; ik gedraag me sinds september niet echt sociaal. Nou, oké, als je toevallig studeert aan Windesheim of werkt op de school diep in Drenthe, dan hoor je ineens weer veel te vaak van me. Ik heb feedback nodig, er moet iemand nodig iets voor me invullen, ik moet overleggen of zonodig weer een vergadering filmen om mijn interpersoonlijke competenties te bewijzen. Tsja. De balans is, kortom, ver te zoeken.

En nee, het gaat zeker niet van een leien dakje, allemaal. De studie vereist een flexibiliteit waarvoor ik, wisselvallig type, zelfs nog een beetje moet trainen. Het geheel vraagt een precisie die ik niet eens bij het sokken breien inzet (en de breiers onder ons weten dat dat op zich best handig is), en het niveau is ook niet echt Jip en Janneke. De eerste module heb ik inmiddels herkanst (even afwachten of dat wèl voldoende is) en de tweede module is met trillende vingers ingeleverd bij de moduledocent. Fingers crossed enzo.

Wat zegt u, u vindt dit eigenlijk wel een beetje een zeurverhaal? Dat was u van mij niet gewend? Hm. Nu u het zegt. Het klinkt wel wat zorgelijk. Het klinkt alsof ik overmeesterd ben door iets wat ik nou weer zo nodig moest: opnieuw studeren. Maar heel eerlijk: ik vind het leuker dan ik ooit verwacht had. Ja. Ik vind het ook ontzettend pittig. Ik vind het ook ontzettend veel. Als ik het ene boek nog niet uit heb, ligt het volgende alweer ongeduldig te wachten tot ik het oppak. Hier moet iets uitgezocht, en daar iets op een rijtje gezet. En nee, ik snap heel veel nog steeds niet.

Maar. Het schijnt dat ik ècht aan het leren ben, juist omdat ik voortdurend rondloop met een hoofd waar de vraagtekens omheen zweven (om niet te spreken van wat er ín dat hoofd zweeft). Iedere dag voel ik me wel één keertje ‘lampje’. (Weet u nog? Van Willie Wortel.) Dan is er een ‘aha-momentje’ en bedenk ik dat het in de les weer wel anders kan. Beter, natuurlijk. Al valt dat altijd nog te bezien. Voor de leerlingen betekent het in ieder geval wekelijk wel iets nieuws.

En ja. Om dat studiekoze gedoe allemaal te compenseren, neem ik de man toch af en toe op sleeptouw. Binnenkort maar eens met de trein naar een ver en donker land. En nee. Dat is ook alweer niet sociaal. Behalve dan voor de man.  Als het meezit, word ik me over een jaar of twee wel weer van de omgeving bewust. En van de tuin, misschien. En de verbouwingen. En het onderhoud aan diverse apparaten. Het is maar goed dat ik in ieder geval een degelijke auto rijd.

Tussen de oren

Vorige week zaten leerling M. en leerling L. voor in de klas en ze luisterden naar een lied. We doen iets met poëzie in klas 3 en op de een of andere manier krijgen we de begrippen ‘rijm’, ‘beeldspraak’ en ‘stijlfiguren’ er gemakkelijker in met een lied van Blof (denk dat streepje er even bij) dan met de werken van Joost van den Vondel.

M. en L. zaten dicht tegen elkaar aan gekleefd, met gedeelde ‘oortjes’. Ik vond dat ik het lied er toch best nog doorheen hoorde blèren en vond het tijd voor een ‘anti-tinnitus-preek’, want er is veel wat ik mijn medemens gun, maar daar schaar ik tinnitus niet onder. Ik heb het zelf en ik vind het niet bijster aangenaam. ‘Maar u heeft dat toch niet door muziek gekregen?’ vroeg L. en ik antwoordde dat dat inderdaad niet zo was, al waren de concerten van Rammstein en Faithless ook weer niet bevorderlijk voor een goed gehoor, om het maar niet over het plaatselijke Sweelpop en Folk veur Volk te hebben, want daar kun je met een beetje pech ook wel een eeuwige piep in de oren oplopen. Maar goed. Nee. Mijn eigen ruis heb ik te danken aan het werk op de trein.

‘Is dat niet ontzettend irritant?’ vroeg M. en ik knikte. ‘U hoort dus ALTIJD iets.’ Ik knikte weer. ’24 uur per dag dolle pret, jongens, dus alsjeblieft, zet die muziek niet zo hard als je oortjes in hebt, en haal van die speciale pluggen als je naar een festival gaat.’ Twee paar glazige ogen keken me aan en er klonk iets van ‘uhuh’. Ik zuchtte en wilde al doorlopen naar het volgende stel dat driftig met de poëzie in de weer was.

‘Maar mevrouw,’ begon M. weer. Ik draaide me weer naar hem toe. ‘Niet om het een of ander, en ik bedoel er niets brutaals mee. En ik wil u ook niet beledigen…maar…’ Ik keek M. afwachtend aan. Een grote denkrimpel lag op zijn voorhoofd. ‘Bent u weleens naar een psychiater geweest?’ Ik hoestte. ‘Eh. Nee.’ M. keek nu naar zijn Chromebook, alsof daar de volgende, zorgvuldig opgebouwde zin lag die duidelijk moest maken wat hij dacht. ‘Nou, u zegt iets te horen, maar niemand anders hoort het, toch?’ Ik knikte, want het is echt mijn eigen geluid. ‘Nou, misschien zit het dan gewoon tussen uw oren.’ Ik zweeg. Hij zweeg met me mee. ‘Kan toch?’ zei hij lief.

Ik kneep mijn ogen tot spleetjes en vertelde hem dat ik het een goed idee vond, die psychiater. Misschien kan die me uitleggen waarom ik ooit les wilde geven. Dat zit denk ik ook ergens tussen mijn oren.

Een verlaat kerstfeest

Nee. Ik heb geen kerstversierselen meer hangen of staan. Alle kerstkoekjes zijn ook al op. Kerstvakantie voorbij. Alleen de kerstkaarten (een uitstervend fenomeen) hangen nog op de ruit naast de tussendeur en dat zal traditiegewijs nog wel tot Pasen duren.

Nee. Het gaat om een ander feestje; een leesfeestje. Vorige week dacht ik nog aan de boekjes die ik in mijn jeugd las. Het allereerste boekje kan ik me niet meer herinneren. Het allereerste nieuwe boek dat ik van mijn zakgeld kocht dan weer wel (‘Boris’ van Jaap ter Haar), maar toen had ik inmiddels al wel een bibliotheek aan werkjes ‘uit’.

Nee. Dat eerste werkje krijg ik dan ook nooit meer terug. Ik herinner me wel hele series als ‘De Olijke Tweeling’ en ‘Snuf de Hond’ en, iets later, probleemverhalen uit de koker van uitgeverij Lemniscaat, met titels als ‘Geef het een kans’ en ‘De vier vrijheden van Hanna B.’ En ergens daarvóór en daardoorheen, hele reeksen stichtelijke werkjes van W.G. van de Hulst en de Zijnen.

Ik verslond ze, want de moeders waren er altijd zacht en vaders rechtvaardig. Niemand pestte en als dat toch gebeurde, werd de boosaard steevast stevig berispt. Als niemand meer wist hoe het moest, dan had de dominee nog wel een idee en aan het eind kwam het altijd goed. Fantasy voor kids avant la lettre, zeg maar.

Eén van de werkjes die me altijd bijbleef, was ‘Kerstfeest voor oude Johannes’. Het is een verhaal waarin een gewonde, brommende weduwnaar met geit en al vanuit zijn berghut, door diepe lagen sneeuw, op de slee, naar het dorpje in het dal vervoerd wordt om daar -toch- samen met de dorpelingen de kerstnachtdienst mee te kunnen maken. Het boekje is niet door W.G. van de Hulst geschreven, maar toch ging het met een verzameling van die schrijver, ooit mee naar een vriendin die die boekjes verzamelde.

Een poosje terug sprak ik erover op school. Dat sommige titels je zo bijblijven. Dat je daarom soms iets voor altijd bewaart. En soms per ongeluk dus niet. De vriendin had de verzameling, inclusief ‘Johannes’ weer voortgedaan en ach, zo gaan die dingen. Tot afgelopen dinsdag. Tot die ene nieuwe collega mij aansprak. ‘Ik heb iets voor jou.’ En ze stak haar hand in een tas en er kwam een boekje naar boven.

Ik heb het net herlezen. Een verlaat kerstfeest, maar dan niet alleen voor oude Johannes.

Nog zeven weken…

Afgelopen vrijdag was ik al bezig met het versturen van e-mailtjes aan collega’s en ouders van leerlingen, maar morgen is het dan ècht voorbij. Geen gelummel in pyjamabroek en ‘onder een dekentje op de bank’, geen eindeloos graaien in bakjes met kerstkransjes en chocolaatjes. De koek is op.

Zoals gewoonlijk hebben we in de vakantie totaal niet gedaan wat we allemaal van plan waren. Virussen zaten in de weg, maar ook wekkers. Die gingen niet af, en zo verloren we meteen vier uur van iedere kostbare dag. Nee. Daar hebben we niet per se onder geleden. Zelfs de poezen waren na drie uitgeslapen dagen niet meer chagrijnig als we pas om een uur of 10 naar beneden kwamen. Het konijn had er meer moeite mee, maar zijn slechte humeur was met één rozijntje meestal wel weer genezen.

Ik ben benieuwd hoe de beesten er morgenochtend bij zitten. Of ze niet ineens heel verbijsterd en met lange tanden aan hun ochtendbakje zitten. Wie verzint het immers, om 6.00 uur weer uit bed! Ik weet dat ik dat zelf ook wel even zal bedenken, ook al heb ik best zin om iedereen weer te zien. Collega’s met sterke of minder sterke verhalen, leerlingen met meer of minder enthousiasme. Eindeloze praatjes en veel kopjes koffie, meteen in de eerste week al twee keer uit eten.

Na een week zijn de poezen en ik het allemaal wel weer gewend. Zes weken routine volgen, maar dan hebben we alweer vakantie. Het zou toch eigenlijk verboden moeten worden…

Het jagen van jaren

Sommige dagen moeten dan wel slijten, maar jaren? Oef. Jaren lijken te jagen. Een cliché, ik weet het, en daar moet ik me niet te vaak van bedienen. Vooruit dan maar. Zo zal ik me ook niet bedienen van ‘het ernstig terug- en vooruitkijken’. Ook een dooddoener, tenslotte en we hebben al genoeg terugblikken gehad, de afgelopen dagen en uren.

Bovendien, zo leerde ‘Alice’ al in de film ‘Through the looking glass’:je kunt het verleden toch niet veranderen. Je kunt er alleen van leren. En ok, vroeger had ik nog weleens graag terug gewild in de tijd. Ik had zo hier wel eens mijn mond willen houden, alsnog, en zo daar had ik ‘m dan beter alsnog open gedaan. Maar gedane zaken nemen geen keer. En dat is niet erg. Zo lang je er maar van leert. Dus.

Maar. 2017. Ja. Het was bijzonder. Ik heb in dit jaar geleerd dat ik niet met mijn hoofd en handen vooruit van een bergje af moet sleeën. Een jaar na dato is gitaarspelen nog steeds schier onmogelijk, vanwege een uit zijn voegen geklapt gewricht in mijn hand. Een dansje maken met een collega, waardoor ik twee weken met een kruk moest lopen, leerde me dan weer dat je vooral váker moet dansen. Dan zijn je spieren niet zo stijf en dan loop je ook geen zweepslag op. In 2017 heb ik meestal wel mijn mond gehouden waar dat moest en open gedaan als het kon. Ik denk dat ik daarvoor voldoende ‘lesstof’ in eerdere jaren heb gehad.

In 2018 zal er ook wel weer geleerd worden. Zo staat er een tripje Kopenhagen op het programma, waarbij de man en ik voor het onconventionele vervoermiddel ‘trein’ hebben gekozen. De tickets zijn al geboekt, dus ik hoop niet dat we zullen leren dat we dat beter niet hadden kunnen doen. Naar Canada, een paar maanden later, pak ik dan toch het vliegtuig. Doel nummer één is ‘leren’, omdat ik er voor mijn studie heen ga. Hopelijk leer ik daar dan weer niet van dat ik beter een cursus pottenbakken had kunnen doen.

Ik wens voor u dat 2018 minstens zo’n bijzonder jaar zal zijn als 2017 voor mij was. Op die vinger en dat been na, dan. Dat hoeft u dan zelf niet te leren. Heb ik al voor u gedaan.

(Oh ja, ik leerde ook al dat je best ‘s avonds laat nog oliebollen kunt bakken. Dat dat niet heel anders is als ‘s middags. Ze gaan evengoed met een sneltreinvaart op…)